Huwelijkscrisis (of relatiecrisis) tijdens de Tweede Coronagolf

Op dit moment leven wij allemaal in een gekke tijd en zitten wij als samenwoners en gehuwde mensen veel op elkaars lip. Immers, door de nieuwe uitbraken van het Coronavirus en de nieuwe (intelligente) lockdown werken wij in principe thuis, gaan we niet meer naar de sportschool en zijn wij niet meer met vrienden in een gezellig restaurant of kroeg te vinden. Daarentegen zijn we meer thuis dan normaal gesproken, werken we samen met onze partner aan de eettafel en brengen wij 24/7 met elkaar door in één ruimte. Voorgaande brengt met zich mee dat je als partners meer op elkaars lip zit waardoor er logischerwijs veel huwelijken en relaties op de proef worden gesteld.

Zo ook bij Wouter. Wouter is 2 jaar getrouwd met Merel. Samen zijn zij de ouders van de tweeling Job en Mees. Alhoewel Wouter zich verheugde op het full time thuis werken (immers, geen files en weg van het saaie kantoor) is voorgaande hem vies tegen gevallen. Wouter ergert zich mateloos aan Merel, hierdoor ontstaat er dagelijks een ruzie. Daarnaast schreeuwt de tweeling constant om aandacht en tot overmaat van ramp is er de hond Woefdram die de gehele dag hard zit te blaffen. Wouter heeft vorige week donderdag contact met ons opgenomen, hij trekt het niet meer goed thuis en gaf aan ons aan dat hij zijn huwelijk niet meer ziet zitten.

Uiteraard begrijp ik dat de situatie van Wouter enorm lastig voor hem is. Gezien het feit dat zijn huwelijk, voor de coronacrisis, geen scheurtjes vertoonde heb ik hem tips gegeven om te bezien of Wouter geen overhaaste beslissing neemt en zijn huwelijk nog te redden is. De tips die ik aan Wouter heb gegeven deel ik graag met u.

Tip 1 Blijf met elkaar praten

Veel relatietherapeuten zullen het beamen. Goede communicatie is één van de belangrijkste punten voor een goed huwelijk c.q. goede relatie. Voorgaande geldt niet alleen als uw huwelijk of relatie goed verloopt maar ook als uw huwelijk c.q. relatie scheuren vertoont en u bijvoorbeeld bemerkt dat uw gevoel voor de ander minder is geworden. Communiceer met uw partner wat u dwars zit en wat u nodig hebt om hieraan te werken.  Probeer hierbij vanuit uw eigen gevoel te praten, luister naar elkaar en vat samen wat de ander zegt, zo weet u dat u de ander goed hebt begrepen en wat de ander nodig heeft om tot verbetering te komen.

Tip 2 Gun elkaar vrijheid

Ook al zitten we nu in de tijd van een (intelligente) lockdown, voorgaande hoeft niet te betekenen dat u constant op elkaars lip hoeft te zitten. Gun elkaar privé tijd en vrijheid en maak hier afspraken over. Wordt het u allemaal even te veel, pak een boek, ga een blokje om met de hond of volg een online sportklasje. U zult zien dat u daarna weer meer van de ander kunt hebben.

Tip 3 Probeer positief te blijven

Het feit dat u meer op elkaars lip zit hoeft niet te betekenen dat u een vrijbrief hebt om vervelend en negatief tegen elkaar te gaan doen. Uit aan uw partner waar u zich aan irriteert en los het op. Bedenk of uw irritatiepunt een fixe ruzie waard is of dat u wellicht beter even op uw lip kunt bijten. Mijn boodschap is, laat de kleine dingen gaan, probeer positief te blijven denk aan de mooie momenten die u met elkaar hebt beleefd en maak niet overal een punt van.

Tip 4 maak geen ruzie in het bijzijn van de kinderen

Wonen er binnen uw gezin kinderen? Hoe jong of oud ze ook zijn, maak geen ruzie in het bijzijn van de kinderen. Doe uw best om de vrede te bewaren en de situatie zo goed als mogelijk voor de kinderen te houden. Kinderen pakken alles precies op; zo ook de kleinste en grootste ruzies. Voorkom dit dus!  

Tip 5 Blijf sterk

Bedenk dat aan al het negatieve een einde komt, aldus ook aan de (intelligente) lockdown. Maak er in deze tijd het beste van. Probeer elkaar zo af en toe te verrassen, bestel dat lekkere drie gangen diner uit uw favoriete restaurant en maak er thuis een gezellige boel van. Bedenk in ieder geval dat de situatie uiteindelijk weer wordt zoals het was waarbij u naast quality time met uw partner c.q. relatie ook een eigen leven met vrienden, werk, sport etc. hebt.

Contact opnemen

Vertoonde uw relatie c.q. huwelijk al scheuren voor de coronacrisis waardoor u nu naast de coronacrisis ook in een huwelijkscrisis c.q. relatiecrisis zit en ziet u het niet langer zitten om uw huwelijk of relatie voort te zetten en een kans te geven neem dan contact met mij op. Ook in deze tijd kan ik de gevolgen van de relatiebreuk of echtscheiding voor u regelen. Ik ben een ervaren familierechtadvocaat die u kan informeren over uw rechten en plichten en de weg die bewandeld dient te worden om de gevolgen van de breuk zo goed mogelijk te regelen.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Recht op omgang met het kind tijdens de tweede Coronagolf

Raymond en Kim hebben elkaar vier jaar geleden tijdens een vakantietrip leren kennen. Het was liefde op het eerst gezicht. Eenmaal in Nederland teruggekomen besloten Raymond en Kim om na een aantal maanden samen te gaan wonen. Twee jaar later zijn Raymond en Kim de ouders geworden van Job. Op het moment dat de tweede coronagolf uitbrak en Raymond en Kim samen met Job 24/7 bij elkaar waren begonnen er scheurtjes te ontstaan in de relatie. Deze zomer hebben Raymond en Kim er voor gekozen om uit elkaar te gaan, waarna zij zich samen hebben gewend tot een mediator om afspraken te maken. Ten aanzien van Job geldt dat hij bij Kim zijn hoofdverblijf heeft. Daarnaast heeft hij iedere week omgang met Raymond waarbij hij iedere week van donderdagochtend tot zaterdagavond bij Raymond verblijft. Raymond geniet ieder moment dat Job bij hem is. Echter, tot grote schrik van Raymond heeft Kim vorig weekend aangegeven dat Job geen contact meer mag hebben met Raymond. Uit het niets wordt Raymond er van beschuldigd dat hij tijdens de omgangsmomenten drugs zou gebruiken. Ten einde raad heeft Raymond vandaag contact met mij gezocht.

Hoe zit het ook al weer?

Een kind altijd het recht heeft op contact met beide ouders. Op het moment dat ouders uit elkaar gaan dienen zij dan ook afspraken te maken op welke dagen het kind bij de ene of bij de andere ouder verblijft. Komen ouders er niet uit dan kan er aan de rechter verzocht worden om een omgangsregeling vast te stellen. Als er een omgangsregeling is overeengekomen c.q. is vastgesteld dan dienen beide ouders deze regeling na te komen. In de case van Raymond mag Kim de omgang tussen Raymond en Job dus niet eigenhandig stopzetten. Indien een ouder dit wel doet dan is het uiteraard noodzaak om aan de andere ouder kenbaar te maken dat u het niet eens bent met het feit dat de omgang is stopgezet en dat u graag wilt zien dat er aan de omgangsregeling weer uitvoering wordt gegeven.

De politie bellen of hulpverlening inschakelen?

Raymond vertelde mij dat hij zelf heeft geprobeerd om tot een oplossing te komen, helaas geeft Kim niet thuis. Gezien het feit dat Raymond radeloos was heeft hij in eerste instantie de hulp van de politie ingeroepen, op basis van onttrekking van het kind aan het ouderlijk gezag van Raymond. De ervaring leert echter dat de politie weinig kan en zal ondernemen, zo ook in het geval van Raymond. De politie heeft in de case van Raymond geprobeerd te bemiddelen, dit echter tevergeefs.

Daarnaast heeft Raymond op advies van de politie de hulpverlening ingeschakeld bij het Centrum voor Jeugd en Gezin. Gezien het feit dat deze vorm van hulpverlening vrijwillig is en Kim nergens aan mee wenst te werken, is ook deze hulp niet van de grond gekomen.

De hulp inschakelen van een advocaat?

Raymond heeft uiteindelijk vrij snel mijn hulp ingeroepen. Mijn advies is aan elke (benadeelde) ouder om hier nooit te lang mee te wachten, immers, hoe langer een kind zijn/haar ouder niet ziet hoe schadelijker dit voor een kind is. Ook ik heb geprobeerd om met Kim in contact te komen om in onderling overleg tot een oplossing te komen. Kim heeft via een eigen advocaat aangegeven dat het beter voor Job is als er geen contact meer is tussen Raymond en Job.

Spoedprocedure

Namens Raymond ben ik een kort geding gestart waarbij ik aan de rechtbank heb gevraagd om Kim te verplichten om de overeengekomen omgangsregeling na te komen. Als verweer bracht Kim naar voren dat zij van mening is dat de omgang tussen Job en Raymond dient te worden ontzegd omdat de omgangsmomenten niet in het belang van Job zouden zijn. Tijdens deze procedure werd Raymond er opnieuw van beschuldigd dat hij drugs zou gebruiken. Middels urinetesten (welke Raymond al voor aanvang van de zitting had gedaan) hebben wij op de zitting kunnen aantonen dat er geen sprake is van drugsgebruik. De rechtbank heeft na de zitting binnen twee weken de uitspraak gedaan en bepaald dat Kim haar medewerking moet geven aan de overeengekomen omgangsregeling. Via het kort geding heb ik dus vrij snel voor Raymond kunnen regelen dat de omgang met Job weer is hervat.

Conclusie

Mocht u als moeder of als vader in eenzelfde situatie zitten als Raymond dan is mijn advies om niet te lang te wachten met het inschakelen van de hulp van een advocaat. Immers, zoals ik al eerder schreef hoe langer een kind zijn of haar ouder niet ziet hoe schadelijker dit is. Tegelijkertijd geldt ook dat er een groot risico bestaat dat de omgang eerst weer langzaam dient te worden opgebouwd indien het kind een ouder lang niet heeft gezien In dit soort situaties duurt het dus veel langer voordat er weer op een frequente basis omgang is. Probeer dit te voorkomen door snel actie te ondernemen zodra de andere ouder de omgang heeft stopgezet.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Onderhoudsplichten na scheiding

Na een echtscheiding blijven ex-partners in beginsel onderhoudsplichtig voor elkaar. Dit houdt in dat de ex-partners ook na de scheiding verplicht zijn om elkaar financieel te ondersteunen, voor zover dit voor de ex-partners nodig is om de kosten van hun levensonderhoud te kunnen betalen.

Als het huwelijk langer dan vijf jaar heeft geduurd of er tijdens het huwelijk een kind is geboren, duurt de onderhoudsplicht twaalf jaar na de scheiding. Duurde het huwelijk korter dan vijf jaar en zijn er geen kinderen geboren, dan duurt de onderhoudsplicht na de scheiding even lang als de duur van het huwelijk. Was u bijvoorbeeld 3 jaar getrouwd en heeft u tijdens het huwelijk geen kinderen gekregen, dan duurt de onderhoudsplicht 3 jaar nadat u bent gescheiden.

Als de ex-partners tijdens het huwelijk kinderen hebben gekregen, zijn zij verder als ouders onderhoudsplichtig voor deze kinderen, in ieder geval tot achttien jaar en vaak ook nog tot eenentwintig jaar. De ouders moeten dus in ieder geval tot de achttiende verjaardag en in veel gevallen zelfs tot de eenentwingste verjaardag van hun kinderen blijven bijdragen in de kosten van deze kinderen.

Als gevolg van de onderhoudsplichten maken ex-partners vaak afspraken over partner- en kinderalimentatie die na de echtscheiding door de ene ex-partner aan de andere ex-partner moet worden betaald. Deze afspraken worden vervolgens vastgelegd in een echtscheidingsconvenant en/of een ouderschapsplan. Als het partijen niet lukt om afspraken te maken, beslist de rechtbank over de (hoogte van de) kinder- en partneralimentatie.

Participatiewet en bijstandsverhaal
Als iemand onvoldoende financiële middelen heeft voor zijn of haar bestaan, kan deze persoon op grond van de Participatiewet in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als iemand zonder werk komt te zitten en geen recht (meer) heeft op een WW-uitkering. Een bijstandsuitkering kan worden aangevraagd bij de gemeente.

Als de bijstandsgerechtigde een uitkering krijgt in de periode dat de ex-partner nog onderhoudsplichtig is voor de bijstandsgerechtigde of de minderjarige kinderen, kan de gemeente (een gedeelte van) de bijstandsuitkering verhalen op de ex-partner. Dit wordt dan ‘bijstandsverhaal’ genoemd. De ex-partner moet hiervoor natuurlijk wel voldoende financiële draagkracht hebben.

Hoogte van het verhaal
Het bedrag dat de ex-partner in verband met het bijstandsverhaal moet betalen aan de gemeente, is afhankelijk van aan de ene kant de financiële behoefte van de bijstandsgerechtigde en/of de minderjarige kinderen en aan de andere kant het inkomen, de lasten en sociale situatie van de ex-partner.

Niet gebonden aan afspraken
De gemeente is bij het bijstandsverhaal niet gebonden aan de afspraken die de bijstandsgerechtigde en de ex-partner tijdens de echtscheiding of daarna hebben gemaakt over de kinder- en/of de partneralimentatie. Met andere woorden, ook al staat in een door de partijen gesloten overeenkomst dat er over en weer geen partneralimentatie of een (te) laag bedrag aan kinderalimentatie wordt betaald, dan staat het de gemeente nog vrij om de uitkering te verhalen bij de ex-partner.

De gemeente is wél gebonden aan de alimentatieregels die door de rechtbanken, advocaten en mediators gehanteerd worden. Als uit deze regels bijvoorbeeld volgt dat de ex-partner financieel niet in staat is om kinder- en/of partneralimentatie te betalen, kan de gemeente deze ex-partner ook niet aanspreken voor bijstandsverhaal.

De gemeente bepaalt of er wordt verhaald
De wet kent geen verplichting voor gemeenten om de bijstand te verhalen op de ex-partner. Er zijn dan ook gemeenten die ervoor kiezen om de bijstand niet te verhalen, ook al doen ze hiermee hun gemeentekas tekort.

De vier grote gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht doen in ieder geval wel aan bijstandsverhaal.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Op vakantie naar het buitenland met de kinderen na een echtscheiding

Veel mensen gaan op vakantie naar het buitenland, vaak met de kinderen. Maar hoe zit dit nu als u gescheiden bent? Mag u zomaar met de kinderen op vakantie of heeft u hiervoor de toestemming van uw ex-partner nodig? En zijn er nog andere punten waar u op moet letten?

Toestemming 

Na een echtscheiding is het uitgangspunt dat beide ouders het gezag over een kind blijven houden. Dit geldt ook als u niet gescheiden bent maar uw buitenhuwelijkse relatie is geëindigd en het gezamenlijke gezag is verkregen via een aanvraag bij de rechtbank of een beschikking van de rechtbank. Alleen als de ouders of één van hen de rechtbank verzoeken te bepalen dat het gezag over het kind aan één van hen moet toekomen en de rechtbank dit verzoek in het belang van het kind toewijst, heeft slechts één ouder het gezag over een kind. Dit komt overigens weinig voor.

Het gezamenlijk gezag houdt onder meer in dat de ouders ook na de echtscheiding de belangrijke beslissingen betreffende het kind samen moeten nemen. Zo moeten ouders het eens worden over ingrijpende medische behandelingen voor een kind en de schoolkeuze van een kind.

Een vakantie naar het buitenland is ook een gezagskwestie. De ouder die met het kind op vakantie wil, moet hiervoor dus toestemming krijgen van de andere gezaghebbend ouder.

Wanneer de andere ouder deze toestemming niet geeft, kan de ouder die de toestemming nodig heeft de rechter op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek vragen om hiervoor vervangende toestemming te verlenen. Zo’n verzoek kan alleen via een advocaat worden ingediend.

Reisdocumenten 

De Koninklijke Marechaussee controleert kinderen die met één ouder of alleen reizen, om zo internationale kinderontvoeringen te voorkomen. Deze controles zijn de laatste jaren strenger geworden. Het is dus belangrijk om de juiste documenten bij u te hebben als u reist met een minderjarig kind.

De noodzaak om de juiste documenten mee te nemen geldt overigens ook als u nog steeds getrouwd bent en u apart van uw echtgeno(o)t(e) reist. U bent ook dan immers beiden gezaghebbend ouder. Vooral wanneer het kind een andere achternaam heeft dan de ouder waarmee het reist, volgt vaak een strengere controle door de Koninklijke Marechaussee.

Eigen reisdocument 

Het is sinds juni 2012 niet meer mogelijk om kinderen bij te schrijven op het paspoort van hun ouders. Als minderjarige kinderen met hun ouders of één van hen op vakantie gaan, moeten ze dan ook hun eigen reisdocument bij zich hebben. Het gaat dan om een ID-kaart of een paspoort.

Een ID-kaart of paspoort voor een minderjarig kind, kan slechts aangevraagd worden met medewerking van beide gezaghebbend ouders. Geeft een ouder geen toestemming voor de aanvraag, dan kan de andere gezaghebbend ouder ook voor deze kwestie de rechter vragen om vervangende toestemming te verlenen.

Overige documenten

Naast een eigen reisdocument voor het minderjarige kind, moet de reizende ouder zorgen dat hij of zij het formulier ‘Toestemming voor reizen met minderjarigen naar het buitenland’ bij zich heeft. Het formulier moet zijn ingevuld door de gezaghebbend ouder die toestemming heeft gegeven voor de reis naar het buitenland.

Als de rechter vervangende toestemming voor de reis van de minderjarige heeft gegeven, moet de betreffende beschikking van de rechtbank worden meegenomen.

Verder adviseert de Koninklijke Nederlandse Marechaussee om, zover mogelijk, de volgende documenten voorhanden te hebben tijdens de reis:

– een retourticket van het kind;

– een recent uittreksel uit het gezagsregister. Dit uittreksel kan bij een advocaat of rechtstreeks bij de rechtbank worden opgevraagd;

– een recent gewaarmerkt afschrift uit het Basisregister Personen (BRP) van het kind. Dit afschrift kan worden opgevraagd bij de gemeente waar het kind is opgenomen in het BRP;

– een kopie van het paspoort van de toestemminggevende ouder;

– het ouderschapsplan;

– de meest recente uitspraak van de rechtbank met betrekking tot het gezag en de omgang (dit is vaak de echtscheidingsbeschikking).

Bijzondere vereisten vakantieland 

De nationale wetgeving van het vakantieland kan aanvullende eisen stellen met betrekking tot het reizen met minderjarige kinderen. Het is daarom aan te raden voor vertrek hierover contact te hebben met de ambassade of het consulaat van het betreffende vakantieland.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Marokkaanse Boedelscheiding

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 4 februari 2014

Zaaknummer: 200.129.614/ 01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/496560/FA RK 11-6402 (JG/SM)

in de zaak in hoger beroep van:

[…],

wonende te […],

appellante,

advocaat: mr. B.A.S. van Leeuwen te Amsterdam,

tegen

[…],

wonende te […],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.M. de Waard te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellante en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de vrouw en de man genoemd.1.2.

De vrouw is op 2 juli 2013 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 3 april 2013 van de rechtbank Amsterdam met kenmerk C/13/496560/FA RK 11-6402 (JG/SM).1.3.

De man heeft op 29 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.1.4.

De man heeft op 2 december 2013 nadere stukken ingediend.1.5.

De vrouw heeft op 5 december 2013 nadere stukken ingediend.1.6.

De zaak is op 12 december 2013 ter terechtzitting behandeld.1.7.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

– de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

– de man, bijgestaan door zijn advocaat.

2 De feiten

Partijen zijn [in] 1991 gehuwd op het Marokkaanse Consulaat te Amsterdam. Hun huwelijk is op 16 januari 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 5 oktober 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben vier kinderen. Het oudste kind is in 1994 geboren.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is bepaald dat:

– de opbrengst van de echtelijke woning aan het [adres], na verkoop van de woning, tussen partijen voor de helft wordt gedeeld;

– partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de op de woning rustende hypothecaire schulden;

– ten aanzien van de inboedel, partijen over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben.

Voorts is bij de bestreden beschikking de vrouw gelast de attachékoffer aan de man terug te geven met daarin de originele eigendomspapieren van de grond in Marokko en de diverse administratie, welke betrekking heeft op de financiën te Marokko, en is het meer of anders verzochte afgewezen.3.2.

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, te bepalen dat:

– er gedurende het huwelijk van partijen ook naar Marokkaans recht een gemeenschappelijk vermogen is ontstaan, waarop de vrouw aanspraak maakt bij de verdeling;

– de vrouw een vordering heeft op de man in verband met de waardevermeerdering van zijn vermogen die mede is ontstaan doordat het perceel grond en het huis in Marokko uit gezamenlijk gezinsinkomen van partijen zijn gekocht, gebouwd en/of verfraaid, alsmede te bepalen dat de waardevermeerdering 50/50 wordt verdeeld;

– de vrouw een vordering heeft op de man in verband met de groei van het saldo op de bankrekening van de man bij de ATIJARIWAFA BANK, alsmede te bepalen dat de groei van dit banksaldo 50/50 verdeeld wordt;

– de vrouw de attachékoffer met daarin de originele eigendomspapieren van de grond in Marokko en de diverse administratie welke betrekking heeft op de financiën te Marokko niet hoeft terug te geven aan de man;

– aan de vrouw een vergoedingsrecht toekomt betreffende de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering.3.3.

De man verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

4.1.

Het hof stelt ambtshalve vast dat, nu partijen in 1991 zijn gehuwd en zij, nu anderszins niet is gebleken, ten tijde van de huwelijkssluiting beiden de Marokkaanse nationaliteit hadden, de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat Marokkaans recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen.4.2.

De grieven I en II hebben betrekking op een stuk grond gelegen in [plaatsnaam], Marokko dat de man heeft gekocht en waarop hij een woning heeft laten bouwen. De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat de grond en de woning tijdens het huwelijk gemeenschappelijk vermogen zijn geworden dat thans bij helfte dient te worden verdeeld, omdat tussen partijen een gemeenschap van goederen is ontstaan. Subsidiair stelt de vrouw dat zij jegens de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van de helft van de waardevermeerdering van zijn vermogen doordat het perceel en de woning uit gezamenlijk inkomen van partijen zijn gekocht en gebouwd. Ter onderbouwing van – zo begrijpt het hof – haar primaire standpunt heeft zij een verklaring van [x] in het geding gebracht. Voorts voert zij ter onderbouwing van zowel haar primaire als haar subsidiaire standpunt aan dat zij gedurende het huwelijk voor de huishouding en de kinderen heeft gezorgd, waardoor de man het gezinsinkomen kon verwerven. Sinds zij buitenshuis is gaan werken heeft zij al haar salaris moeten afdragen aan de man. Voorts werd de volledige kinderbijslag vanaf 1994 gebruikt voor de financiering van de aankoop van het perceel en het bouwen van de woning, aldus de vrouw.4.3.

Het Marokkaanse wettelijke huwelijksvermogensregime is geregeld in artikel 49 Mudawwanah 2004 (hierna: Mud). Dit artikel luidt als volgt:

“Beide echtgenoten behouden de bevoegdheid om over hun vermogen te beschikken, onafhankelijk van die van de ander. Binnen het kader van het beheer van vermogensbestanddelen welke zijn verworven gedurende het huwelijk kunnen beide [echtgenoten] overeenstemming bereiken over het vermogensrechtelijk gebruik en de verdeling ervan.

Deze overeenstemming wordt opgenomen in een akte welke onafhankelijk is van de huwelijksovereenkomst.

De twee adls stellen de twee partijen bij hun huwelijk in kennis van voormelde bepalingen.

Indien er geen overeenstemming is, wordt gebruik gemaakt van de algemene beginselen van het bewijsrecht, met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin.”4.4.

Ter onderbouwing van haar standpunten beroept de vrouw zich op het proefschrift van mr. L. Jordens-Cotran “Nieuw Marokkaans Familierecht en Nederlands IPR”, pagina’s 780 en 782 (hierna: het proefschrift). Deze tekst houdt, kort en zakelijk weergegeven, het volgende in. Artikel 49 Mud bevestigt de algehele scheiding van goederen. Partijen zijn echter vrij afspraken te maken over het beheer van het vermogen dat gedurende het huwelijk verkregen zal worden en over de wijze van verdeling ervan. Indien partijen bij de huwelijkssluiting geen afspraken hebben gemaakt of onenigheid hierover ontstaat, beslist de rechter hierover, rekening houdend met “wat is ingebracht aan inspanning en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin”. Uit de laatste zinsnede kan worden geconcludeerd dat ook zonder dat er afspraken zijn gemaakt over het vermogen dat tijdens het huwelijk is verkregen, een van de echtgenoten een deel van dat vermogen kan opeisen. Tevens kan geconcludeerd worden dat ook de soort “inspanning” en werkzaamheden die tot een verdeling mogen leiden door de rechter moeten worden beoordeeld. Artikel 49 Mud specificeert niet de soort bijdrage die door iedere echtgenoot geleverd moet worden om aanspraak op een deel van het vermogen te doen gelden. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de regering erop gewezen dat artikel 49 Mud ruim geredigeerd is en de rechter de mogelijkheid geeft allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in de beoordeling. Daarbij is meegedeeld dat het zwijgen van de wet over de bijdrage van de vrouw aan de huishouding niet mag worden uitgelegd als een uitsluiting hiervan. In de toelichting op artikel 49 Mud is voorts benadrukt dat de evaluatie door de rechter van de inspanning en bijdrage van iedere echtgenoot geenszins tot een verdeling “door de helft” van het vermogen leidt.4.5.

Voorts heeft de vrouw een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het rapport) van 22 november 2011 in het geding gebracht. Het rapport bevat, voor zover van belang, de volgende inhoud:

”In het algemeen kan worden vastgesteld dat volgens het islamitische recht door het huwelijk als zodanig geen gemeenschappelijk vermogen ontstaat. (. . .) Een dergelijk stelsel heeft in beginsel geen vermogensrechtelijke gevolgen in geval van ontbinding van het huwelijk.

(. . .) In artikel 49, eerste volzin, van de Mudawwana 2004 is opgenomen dat tussen de echtgenoten sprake is van scheiding van goederen (. . .)

(. . .)

Tussen de echtgenoten ontstaat als gevolg van het huwelijk geen gemeenschappelijk vermogen. Reeds daarom kan van een werkelijke ‘verdeling’ geen sprake zijn. Het is echter op grond van artikel 49 Mudawwana 2004 laatste zin toch mogelijk dat een echtgenoot aanspraak kan maken op een vergoeding of schadeloosstelling voor geleverde inspanningen of gedragen lasten. Ook werkzaamheden in de huishouding die hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas van de man kunnen de grondslag vormen voor een aanspraak op vergoeding. Indien sprake is van een overeenkomst tussen de echtgenoten, dan dient deze te worden toegepast. Bij gebreke van een overeenkomst, kan de vrouw aanspraak maken op een vergoeding of schadeloosstelling. Het is aan de rechter om een dergelijke aanspraak te beoordelen in het licht van de concrete omstandigheden van het geval.”4.6.

Uit artikel 49 Mud en de toelichting in het proefschrift en het rapport volgt dat door het huwelijk van partijen geen gemeenschap van goederen is ontstaan, maar dat het hen vrijstond afspraken te maken over vermogen dat ieder van hen na het huwelijk heeft verworven. Tussen partijen is niet in geschil dat de man de grond heeft gekocht voor een bedrag van 50.500 dirham. Zowel de man als de vrouw hebben in het appelschrift respectievelijk verweerschrift naar voren gebracht dat de man de grond op 18 augustus 1992 van zijn vader in eigendom overgedragen heeft gekregen. Voor zover de man met zijn verklaring ter zitting in hoger beroep dat de grond al in 1987 – 1990 door zijn vader voor hem is gekocht en dat hij pas in 1992 naar Marokko heeft kunnen reizen teneinde de grond op zijn naam te laten overschrijven, heeft willen betogen dat hij de grond al vóór 1992 in eigendom heeft verkregen, heeft hij dit betoog onvoldoende onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Geoordeeld moet derhalve worden dat de man de grond in 1992, tijdens het huwelijk, in eigendom heeft verkregen.4.7.

Het hof begrijpt het door de vrouw aangevoerde aldus dat zij stelt dat partijen hebben afgesproken dat het door de man tijdens het huwelijk verworven vermogen gemeenschappelijk is. In de door de vrouw in het geding gebrachte e-mail gedateerd 30 november 2011 verklaart [x] dat hij in 2007 – 2008 als “verzoening persoon in de privésfeer” van partijen heeft gehandeld en dat de afspraken die zijn gemaakt (onder meer) inhouden “dat alles wat ze samen hadden opgebouwd samen zouden delen”. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de man – die een verklaring van zijn moeder heeft overgelegd inhoudende dat zij, naast partijen, de moeder van de vrouw en de broer van de vrouw, aanwezig is geweest tijdens de interventie die medio januari 2008 heeft plaatsgevonden tussen partijen, dat zij niet gehoord heeft dat de man aan de vrouw de toezegging heeft gedaan al zijn opgebouwde bezittingen met haar te delen en dat dit onderwerp niet is besproken – is daarmee niet komen vast te staan dat partijen afspraken hebben gemaakt over het vermogen dat de man na het huwelijk heeft verworven. Ook indien hierover anders zou moeten worden geoordeeld kan dit de vrouw niet baten, nu niet is voldaan aan de in artikel 49 Mud gestelde eisen dat een dergelijke afspraak dient te worden gemaakt bij de huwelijkssluiting en te worden vastgelegd in een akte. Anders dan de vrouw meent, brengen de door haar gestelde inspanning en werkzaamheden niet met zich dat naar Marokkaans recht een gemeenschap van goederen is ontstaan. Dat de notariële leveringsakte met betrekking tot de echtelijke woning aan het [adres] en de afschriften van de pensioenverzekering vermelden dat partijen in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, kan, zo deze stelling van de vrouw al juist zou zijn, niet tot een ander oordeel leiden. Het hof volgt de vrouw derhalve niet in haar primaire standpunt.4.8.

Wel kan de vrouw, zo blijkt uit artikel 49 Mud en de toelichting in het proefschrift en het rapport, aanspraak maken op vergoeding voor tijdens het huwelijk geleverde inspanningen die hebben bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de man. Alvorens het subsidiaire standpunt van de vrouw te bespreken stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Partijen verschillen van mening over het tijdstip waarop de bouw van de woning heeft plaatsgevonden. Volgens de man was de bouw al in 1999 afgerond. De vrouw stelt dat de bouw in 2000 is gestart en daarna nog enige tijd heeft geduurd. In het door de vrouw overgelegde koopcontract wordt de grond omschreven als “[a]”. In het door haar eveneens in het geding gebrachte bouwproject van een huis gedateerd 11 mei 1999 wordt het perceel omschreven als “[a]”. Bij dit project is een groot aantal facturen/bonnen in de Arabische en (sommige) deels in de Franse taal gevoegd met data gelegen in de periode 2000 tot en met 2003. Een aantal van die facturen staat op naam van “[de man], [plaatsnaam]”. Voorts bevat een aantal van die facturen omschrijvingen als: sanitair, tegels en verf. De man heeft de facturen/bonnen onvoldoende gemotiveerd betwist. Ter zitting in hoger beroep heeft hij verklaard dat het huis ook nu nog niet af is. Het dient er dan ook voor te worden gehouden dat de bouw van de woning nog niet (volledig) is afgerond.

De vrouw heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de man al vanaf zijn dertiende levensjaar werkt, dat de vrouw vóór het huwelijk geen inkomen en geen vermogen had, en dat zij eerst sinds 1 januari 2000 inkomsten uit arbeid heeft, zodat het hof daarvan uit dient te gaan.4.9.

Uit de toelichting in het proefschrift en het rapport komt naar voren dat allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol spelen bij de beoordeling van de vraag of de vrouw jegens de man een vergoedingsrecht heeft voor tijdens het huwelijk geleverde inspanning die heeft bijgedragen aan vermeerdering van het vermogen van de man. In het rapport wordt daaraan toegevoegd dat ook werkzaamheden in de huishouding die hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas van de man de grondslag kunnen vormen voor een aanspraak op vergoeding. Vast staat dat de vrouw vanaf 1994 de zorg voor zowel het huishouden als de kinderen heeft gehad en daarmee de man in staat heeft gesteld een volledige werkkring te vervullen. Dat de man in die periode of later ook wel huishoudelijk werk voor zijn rekening heeft genomen en op de kinderen heeft gepast maakt dat niet anders. Gesteld noch gebleken is immers dan dit met zich mee heeft gebracht dat de man noodgedwongen minder is gaan werken. In 1999 is met de bouw van de woning in Marokko gestart. Vanaf 2000 heeft de vrouw, naast de zorg voor het huishouden en de kinderen, een baan gehad en daarmee inkomen verworven. De man stelt dat de vrouw dit inkomen uitsluitend ten behoeve van zichzelf heeft aangewend. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte gedingstukken blijkt dat haar salaris door haar werkgever werd gestort op bankrekening [1], evenals de kinderbijslag. Deze rekening stond aanvankelijk op naam van de vrouw en later op naam van beide partijen. Voorts blijkt uit de bankafschriften dat van deze rekening, ook in de periode dat deze alleen op naam van de vrouw stond, de lasten van de echtelijke woning aan het [adres] (hypotheekrente en de premie levensverzekering REAAL) werden voldaan. Dat de vrouw haar inkomen uitsluitend ten behoeve van zichzelf heeft aangewend, heeft de man derhalve niet aangetoond. Ook als dit anders zou zijn, kan niet geoordeeld worden dat de werkzaamheden van de vrouw in loondienst niet hebben bijgedragen aan de vermogensaanwas van de man. Wanneer de vrouw haar uitgaven heeft bekostigd met haar eigen inkomen, heeft dit de man een besparing opgeleverd. Ook de voldoening van de vaste lasten van de echtelijke woning uit het inkomen van de vrouw, hoewel niet aan te merken als een directe bijdrage aan de lasten van de woning in Marokko, hebben de man een besparing opgeleverd. Naar het oordeel van het hof dienen zowel de zorg van de vrouw voor het huishouden en de kinderen als haar werkzaamheden in loondienst te worden aangemerkt als door haar geleverde inspanning die heeft bijgedragen aan vermeerdering van het vermogen van de man.4.10.

Het hof volgt de vrouw niet in haar stelling dat de hoogte van de vergoeding voor de door haar geleverde inspanning 50% van de – naar het hof begrijpt – waarde van de grond en de woning in Marokko bedraagt. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de man de grond één jaar na het huwelijk heeft gekocht, in de periode dat de vrouw nog geen zelfstandig inkomen had en het oudste kind van partijen nog niet was geboren en de vrouw derhalve nog niet de zorg over kinderen had. De bouw van de woning is in 1999 gestart, terwijl de vrouw eerst in 2000 in loondienst is gaan werken. Haar inkomen was toen lager dan dat van de man. Gelet op deze feiten en omstandigheden stelt het hof de hoogte van de vergoeding van de vrouw in redelijkheid op 30% van de waarde van de grond en de woning. Door natrekking zijn de grond en de woning immers als één geheel te beschouwen, maar omdat de man de grond alleen heeft gefinancierd en het hof het niet redelijk acht dat de vrouw volledig meedeelt in de oorspronkelijke waarde van de grond, komt het hof tot dit percentage voor het geheel. De grieven I en II slagen in zoverre en falen voor het overige.4.11.

Grief III betreft een door de vrouw gesteld saldo op de bankrekening van de man bij de Attijariwafa Bank in Marokko. Ten aanzien van de bankrekening stelt de vrouw zich eveneens primair op het standpunt dat dit gemeenschappelijk vermogen is dat bij helfte dient te worden verdeeld, en subsidiair dat zij een vergoedingsrecht heeft van 50% van de groei van het saldo, op grond van de feiten en omstandigheden als hiervoor onder 4.2. verwoord. Als productie 21 in hoger beroep heeft zij een bankafschrift op naam van de Attijariwafa Bank [plaatsnaam] in het geding gebracht, waaruit een positief saldo van 100.980,41 dirham blijkt per 31 januari 2010. De man heeft de inhoud van dit bankafschrift niet betwist. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.6 en 4.7 is overwogen, te weten dat geen sprake is van een gemeenschap van goederen, kan het primaire standpunt van de vrouw geen doel treffen. Gesteld noch gebleken is dat de bankrekening reeds bestond vóór het huwelijk. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de bankrekening tijdens het huwelijk is geopend, zodat het gehele saldo als vermeerdering van het vermogen van de man dient te worden aangemerkt. Op grond van de feiten en omstandigheden als hiervoor onder 4.9 en 4.10 verwoord stelt het hof de vergoeding van de vrouw op 30% van het saldo. Grief III slaagt eveneens in zoverre en faalt voor het overige.4.12.

Met grief IV komt de vrouw op tegen de beslissing van de rechtbank dat zij de attachékoffer met daarin de originele eigendomspapieren van de grond in Marokko en de diverse administratie welke betrekking heeft op de financiën te Marokko, aan de man dient terug te geven. Zij betoogt dat tussen partijen een gemeenschap van goederen is ontstaan en dat de man, zodra hij over de koffer met documenten beschikt, buiten haar om allerlei handelingen met betrekking tot het gemeenschappelijke vermogen kan verrichten. Ter zitting in hoger beroep heeft zij daaraan toegevoegd dat partijen mogelijk in Marokko opnieuw tegen elkaar zullen procederen en haar bewijspositie verslechtert wanneer zij de documenten moet afgeven.4.13.

Zoals hiervoor onder 4.6 en 4.7 overwogen is tussen partijen geen sprake van een gemeenschap van goederen. Het staat de man vrij over zijn vermogen in Marokko te beschikken en hij dient daartoe de daarop betrekking hebbende documenten in zijn bezit te hebben. De vrouw heeft voorts niet aangetoond dat haar bewijspositie slechter wordt door afgifte van de documenten, nu zij in de onderhavige procedure kopieën van documenten met betrekking tot de woning en de bankrekening in Marokko, kennelijk afkomstig uit de koffer, in het geding heeft gebracht. De conclusie luidt dat de rechtbank terecht heeft beslist dat de vrouw de attachékoffer aan de man terug dient te geven. De grief faalt.4.14.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking overwogen dat de aan de hypotheek gekoppelde levensverzekering op naam van de man staat en de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat vermogensvorming op deze polis mede door haar inspanningen zijn ontstaan, zodat aan de vrouw geen vergoedingsrecht toekomt. De opgebouwde waarde komt alleen aan de man toe, aldus de rechtbank. Hiertegen is grief V gericht.4.15.

De vrouw heeft als productie 17 in hoger beroep in het geding gebracht een brief van REAAL Levensverzekeringen gedateerd 22 november 2011. Deze brief houdt een afkoopofferte in en is gericht aan de man en de vrouw. Het hof leidt daaruit af dat de polis op naam van beide partijen staat, zodat de waarde van de polis aan ieder van partijen voor de helft toekomt. Voor zover de man met zijn stelling ter zitting in hoger beroep dat de man degene was die de premie betaalde, heeft willen betogen dat de vrouw geen aanspraak kan maken op de helft van de waarde, kan dit geen doel treffen. Zoals hiervoor onder 4.9 vastgesteld werd de premie voor deze verzekering, die is gekoppeld aan de hypotheek, betaald van de bankrekening [1], welke rekening aanvankelijk op naam van de vrouw stond en later op naam van beide partijen. Grief V slaagt. Het hof zal bepalen dat de vrouw na verkoop van de echtelijke woning aan het [adres] recht heeft op de helft van de waarde van de polis.4.16.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarin de verzoeken van de vrouw met betrekking tot het onroerend goed te [plaatsnaam], Marokko, het saldo bij de Attijariwafa Bank te Marokko en de REAAL levensverzekeringspolis zijn afgewezen en bepaalt, in zoverre opnieuw rechtdoende:

dat de vrouw jegens de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van 30% van de waarde van de aan de man in eigendom toebehorende grond en woning in [plaatsnaam], Marokko;

dat de vrouw jegens de man een vergoedingsrecht heeft ter hoogte van 30% van het saldo van de bankrekening [2] van de man bij de Attijariwafa Bank;

dat de vrouw na verkoop van de echtelijke woning aan het [adres] recht heeft op de helft van de waarde van de polis REAAL nummer 7493576;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Kleene-Eijk, mr. G.J. Driessen-Poortvliet en A.R. Sturhoofd in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Kinderalimentatie

De wet bepaalt dat ouders verplicht zijn om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kinderen. Ook voor de verwekker van een kind, die niet tevens de juridisch ouder van het kind is, geldt deze verplichting.

Kinderalimentatie geen kijk- en luistergeld

Het is een misverstand dat ouders (of verwekkers) die geen contact en/of omgang hebben met hun kinderen, geen kinderalimentatie hoeven te betalen. De alimentatieplicht blijft namelijk bestaan. Populair gezegd is kinderalimentatie niet gelijk te stellen aan kijk- en luistergeld.

De duur van de onderhoudsverplichting en eigen inkomsten van het kind

De verplichting tot betaling van kinderalimentatie geldt tot 18 jaar. Artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat deze onderhoudsverplichting wordt verlengd voor meerderjarige kinderen, tot 21 jaar. Deze onderhoudsverplichting voor “jongmeerderjarige kinderen” in de leeftijd van 18 tot 21 jaar geldt zowel voor kinderen die studeren als voor kinderen die dat niet doen. Of zij al dan niet werken, doet niet ter zake. Een eventueel inkomen van een kind is wel van invloed op de omvang van de behoefte van een kind aan een onderhoudsbijdrage. Als het kind bijvoorbeeld een fulltime baan heeft, kan het zo zijn dat de bijdrage van de ouders op een lager bedrag wordt gesteld.

Voor kinderen van ouder dan 21 jaar geldt dat zij alleen nog een recht hebben op een bijdrage van hun ouders als zij behoeftig zijn, oftewel als het kind niet in staat is om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Dit wordt door de rechter niet snel aangenomen. Zo wordt een kind van 21 jaar of ouder dat studeert, geacht te kunnen voorzien in zijn of haar eigen levensonderhoud en is er dus geen aanspraak op een bijdrage van de ouders.

Wel kunnen ouders bij de echtscheiding in het ouderschapsplan of echtscheidingsconvenant een bepaling opnemen waarbij de ouders zich verplichten om aan een kind van 21 jaar of ouder tot een bepaalde leeftijd een bijdrage te blijven verstrekken als het kind studeert. Dat wordt een derdenbeding genoemd.

Onderhoudsplicht stiefouder ter discussie

Op dit moment is een stiefouder (waarmee wordt bedoeld de echtgenoot of geregistreerd partner van een persoon die een of meer kinderen heeft, van welke kinderen de stiefouder niet de ouder is) nog verplicht om bij te dragen in de kosten van de verzorging en opvoeding van een kind dat onderdeel uitmaakt van zijn of haar gezin. Dit laatste is in de regel het geval wanneer het kind op hetzelfde adres staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als de stiefouder.

In de politiek bestaan plannen om deze verplichting af te schaffen. Of die plannen ook werkelijkheid worden is onzeker.

Behoefte en draagkracht

De hoogte van de kinderalimentatie wordt bepaald door enerzijds de behoefte van een kind aan een bijdrage en anderzijds de mogelijkheid/draagkracht van een (stief)ouder of verwekker om bij te dragen in de kosten van het kind.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Ouderlijk gezag en wijziging daarvan

In Nederland staan alle minderjarigen volgens de wet onder gezag. Heeft men het over ouderlijk gezag, dan wordt daarmee bedoeld het gezag dat twee ouders (gezamenlijk ouderlijk gezag) of één ouder (eenhoofdig ouderlijk gezag) uitoefenen.

In het geval een ouder en een niet-ouder samen het gezag uitoefenen, spreekt men van gezamenlijk gezag. Een term die vaak wordt gebruikt als men het over gezag heeft, is (gezamenlijke) voogdij. Deze term heeft echter een andere betekenis. Voogdij betreft namelijk het gezag dat een voogd of, in het geval van gezamenlijke voogdij, door twee voogden, niet-zijnde (de) ouder(s), uitoefenen.

Degene die is belast met het ouderlijk gezag over een minderjarige, is verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige. Ook is diegene de wettelijke vertegenwoordiger en verricht hij/zij officiële handelingen voor of namens de minderjarige. Daarnaast neemt hij/zij de belangrijke beslissingen ten aanzien van de minderjarige. In veel gevallen is deze ook wettelijk aansprakelijk voor het doen en laten van de minderjarige. Tot slot beheert degene die het gezag uitoefent tevens het vermogen (geld en goederen) van de minderjarige.

Gezamenlijk ouderlijk gezag

In de meeste situaties zijn beide ouders met het ouderlijk gezag belast. Zijn ouders gehuwd of hebben zij een geregistreerd partnerschap, dan verkrijgen zij automatische gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen die in de relatie worden geboren.

Indien ouders uit elkaar gaan door middel van een echtscheiding of een ontbinding van het geregistreerd partnerschap, is het uitgangspunt dat beide ouders belast blijven met het ouderlijk gezag over de minderjarigen. De dagelijkse zorg en opvoeding komt dan in de meeste gevallen wel bij slechts één van de ouders te liggen. De belangrijke beslissingen ten aanzien van de minderjarigen zullen echter door de ouders gezamenlijk moeten worden genomen.

Wijziging gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag

De ouders (of één van hen) kunnen de rechtbank verzoeken om één van beiden met het ouderlijk gezag te belasten. De rechtbank dient over een dergelijk verzoek een beslissing te nemen, waarbij het belang van het kind voorop staat. Een dergelijk verzoek dient door een advocaat te worden ingediend bij de rechtbank.

Een dergelijk verzoek kan ook in een later stadium worden gedaan, dus na een echtscheidingsprocedure of procedure tot ontbinding van een geregistreerd partnerschap. In dat geval dient wel sprake te zijn van een wijziging van omstandigheden die een wijziging van het gezag rechtvaardigt. Een dergelijk verzoek kan eveneens slechts met tussenkomst van een advocaat bij de rechtbank worden ingediend.

Ouderlijk gezag door één ouder (eenhoofdig ouderlijk gezag)

Ook kan zich de situatie voordoen dat slechts één van de ouders is belast met het ouderlijk gezag, het eenhoofdig ouderlijk gezag.

Indien de rechtbank een verzoek door (één van) de ouders tot het beëindigen van het gezamenlijk gezag en het belasten van één ouder met het ouderlijk gezag honoreert, ontstaat een situatie van eenhoofdig ouderlijk gezag.

In de situatie dat ouders niet zijn gehuwd of geen geregistreerd partnerschap hebben, is eveneens sprake van eenhoofdig ouderlijk gezag. De moeder krijgt bij de geboorte van het kind automatisch het ouderlijk gezag. De vader krijgt dit slechts, indien hij het kind heeft erkend en hij gezamenlijk met de moeder een verzoek indient bij de rechtbank voor het verkrijgen van het ouderlijk gezag. De hulp van een advocaat is hiervoor overigens niet vereist, al kan die daarbij natuurlijk wel behulpzaam zijn.

Wijziging eenhoofdig ouderlijk gezag

Een ouder die niet is belast met het ouderlijk gezag, kan met behulp van een advocaat een verzoek tot verkrijging van het ouderlijk gezag indienen bij de rechtbank. Deze ouder heeft op grond van de huidige wetgeving slechts de mogelijkheid een verzoek in te dienen tot het verkrijgen van eenhoofdig gezag, waarbij de andere (met het gezag belaste) ouder uit het gezag wordt ontheven.

Er kan zich uiteraard ook een situatie voordoen, waarin een ouder die niet is belast met het ouderlijk gezag, wenst dat alsnog gezamenlijk ouderlijk gezag wordt verkregen. Een verzoek hiertoe dient door tussenkomst van een advocaat te worden ingediend. Of een dergelijk eenzijdig verzoek ook wordt gehonoreerd door de rechtbank is uiteraard een volgende vraag. Dit hangt af van de omstandigheden. De rechtbank zal telkens in het belang van het kind een beslissing dienen te nemen.

Op grond van vaste jurisprudentie kan een dergelijk eenzijdig verzoek worden afgewezen, indien op voorhand duidelijk is dat gezamenlijk ouderlijk gezag onbestuurbaar en onuitvoerbaar is. Bijvoorbeeld wanneer het kind klem zou komen te zitten tussen de ouders. Een criterium dat ook de rechter hanteert ter beoordeling of gezamenlijk gezag op verzoek van één van de ouders dient te worden beëindigd.

Motivering verzoek tot wijziging ouderlijk gezag

Nog een laatste opmerking over het indienen van een verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag. Een dergelijk verzoek moet goed onderbouwd worden. Er moeten feiten en/of omstandigheden worden aangevoerd, op grond waarvan het in het belang van het kind is dat een wijziging van het ouderlijk gezag plaatsvindt. Zo is bijvoorbeeld in het algemeen alleen de stelling dat de minderjarige het bij de verzoekende ouder beter heeft dan bij de andere (met het gezag belaste) ouder, onvoldoende.

De mogelijkheid bestaat dat voornoemde procedures leiden tot een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming. Dergelijke onderzoeken vergen in het algemeen veel tijd, als gevolg waarvan een procedure geruime tijd in beslag kan nemen.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Van wie is het spaargeld?

Veel ouders hebben de (goede) gewoonte om te sparen voor hun kinderen en het spaargeld te storten op een rekening die op naam van het betreffende kind staat. Ook grootouders doen vaak een duit in het zakje en natuurlijk kan ook het kind zelf gebruik maken van de spaarrekening.

Maar wat gebeurt er met die spaarrekening als de ouders scheiden? Maakt het geld dat op die rekening staat deel uit van de gemeenschap van goederen van de ouders en moet het bij een scheiding tussen de ouders verdeeld worden? Of mogen de ouders juist helemaal niet aan het saldo komen? Over deze vraag heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de zomer van 2017 een antwoord gegeven.

Van wie is het geld?

Om deze vragen te beantwoorden is allereerst belangrijk om te bepalen van wie het geld dat is gestort op een bankrekening eigenlijk is.

Als een kind een spaarrekening heeft die op zijn/haar eigen naam staat, dan is het saldo op die bankrekening in beginsel eigendom van het kind. Het maakt daarbij niet uit of het kind zelf het geld op de spaarrekening heeft gestort of dat dit door zijn/haar ouders of anderen is gedaan.

Wel is het zo dat de persoon die het gezag heeft over het kind (in de regel zijn dit de ouders die gezamenlijk het gezag hebben) bewind over het saldo op de spaarrekening voert totdat het kind achttien jaar is. Dit houdt bijvoorbeeld in dat besloten kan worden om het geld onder te brengen bij een andere bank zodat er meer rente kan worden verkregen of (een gedeelte van) het geld uit te geven ten behoeve van het kind.

Wat te doen bij scheiding?

Maar wat gebeurt er met de spaarsaldi van de kinderen als hun ouders gaan scheiden?

Als ouders in gemeenschap van goederen gehuwd zijn en vervolgens gaan scheiden, moet in beginsel al het vermogen bij helften (dus 50/50) worden verdeeld. Het gaat dan bijvoorbeeld om de inboedel, de (over)waarde van de woning, maar ook om de helft van het spaargeld.

De vraag is alleen of bij een scheiding van de ouders de saldi van de spaarrekeningen van de kinderen ook bij helften moet worden verdeeld over de ouders.

Conclusie

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 4 juli 2017 op deze vraag antwoord gegeven. In de beslissing overwoog het Gerechtshof dat de bankrekeningen van de kinderen met de bijbehorende saldi eigendom zijn van de kinderen, onder meer omdat deze bankrekeningen op naam staan van de kinderen. Om deze reden behoren de saldi van de spaarrekeningen niet tot de gemeenschap van goederen van de ouders en hoeven deze saldi bij een scheiding van de ouders dus niet tussen hen verdeeld te worden. De saldi van de bankrekeningen van de kinderen blijven dus buiten de afwikkeling van de echtscheiding van de ouders.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Wijziging van uw achternaam

Regels wijzigen achternaam: gevallen en voorwaarden

Het verzoek tot achternaamswijziging is gebonden aan wettelijke regels. Deze bepalen in welke gevallen een verzoek tot achternaamswijziging kan worden gedaan. Ook de voorwaarden voor toewijzing van een dergelijk verzoek staan in deze regels bepaald.

In de volgende gevallen kan men een verzoek tot achternaamswijziging doen:

  • indien een ouder of verzorger het kind zijn of haar achternaam wil geven;
  • indien een meerderjarig kind de achternaam wil veranderen in die van de andere ouder of verzorger;
  • indien een meerderjarige, die tijdens de minderjarigheid een naamswijziging heeft ondergaan, deze ongedaan wil maken;
  • indien een meerderjarige de naamskeuze van de ouders wil herzien;
  • indien het gaat om een niet-Nederlandse achternaam;
  • indien het gaat om een onwelvoeglijke of bespottelijke achternaam;
  • indien het gaat om een veel voorkomende achternaam;
  • indien het gaat om een onjuist gespelde achternaam;
  • indien men de toevoeging van een achternaam wenst, waarvan kan worden aangetoond dat deze al deel uitmaakte van de familienaam, toen de burgerlijke stand werd ingevoerd;
  • indien men wenst dat de achternaam van de moeder wordt toegevoegd, als deze naam is uitgestorven of met uitsterven wordt bedreigd.

De eerste situatie kan zich voordoen na een scheiding of het verbreken van de buitenhuwelijkse samenleving. Het kind kan dan de naam krijgen van de ouder die het kind verzorgt en opvoedt. Als een ouder het kind samen met een partner (niet-ouder) opvoedt, kan het kind de naam krijgen van de partner. Als een kind wordt opgevoed en verzorgd door pleegouders, kan het kind de naam krijgen van een van de pleegouders.

Degene om wiens naam wordt gevraagd, moet het kind gedurende een bepaalde aaneengesloten periode (onmiddellijk voorafgaand aan het verzoek) hebben verzorgd en opgevoed. Voor kinderen onder de twaalf jaar is deze periode vijf jaar, voor kinderen boven deze leeftijd drie jaar. Bij een verzoek dat meerdere kinderen betreft, waaronder zich een kind bevindt dat jonger is dan twaalf jaar, is de termijn drie jaar.

Beoordeling verzoek achternaamswijziging

Bij de beoordeling van het verzoek staat het belang van het kind voorop. Hierbij spelen onder andere de volgende factoren een rol:

  • is het kind op de hoogte van zijn afkomst?
  • komt de naamswijziging de eenheid van naam in het gezin ten goede?
  • draagt het kind in het dagelijks verkeer de gevraagde naam al en zo ja hoe lang?
  • accepteert het kind de huidige gezinssituatie?
  • welke rol speelt ieder van de ouders in het leven van het kind?
  • hoe is het contact tussen het kind en de ouder wiens naam het heeft?

Wie kan het verzoek tot achternaamswijziging doen?

De wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind doet het verzoek tot achternaamswijziging. Bij minderjarige kinderen zijn dit degenen die het gezag uitoefenen. Het gezag kan worden uitgeoefend door de ouder(s), door de ouder en zijn of haar partner samen, door een voogd of door twee voogden gezamenlijk (dit kunnen de pleegouders zijn). Als het verzoek gedaan wordt door één gezaghebbende wordt de andere ouder gehoord.

Hoe kan een verzoek tot achternaamswijziging worden gedaan?

Het verzoek tot wijziging van de achternaam dient u middels een aanvraagformulier bij DIENST JUSTIS van het Ministerie van Justitie en Veiligheid te ’s-Gravenhage in te dienen.

Vooronderzoek

Een medewerker van Dienst Justis gaat na of het verzoek volledig is. Daarna stelt een ambtenaar van de gemeente van de woonplaats van verzoeker een onderzoek in. De ambtenaar gaat na of de ingediende gegevens juist zijn. De belanghebbenden ontvangen een oproep om te worden gehoord. Na de gehoren, sturen de instanties die het onderzoek uitvoerden de gegevens terug naar Dienst Justis.

Beslissing

Na ontvangst van alle onderzoeksgegevens, vindt de eindbeoordeling plaats. Er vindt een toetsing plaats of het verzoek wel of niet voor toewijzing in aanmerking komt. Bij toewijzing maakt de Minister van Justitie aan de belanghebbenden het voornemen kenbaar om aan Zijne Majesteit de Koning een voordracht te doen voor het Koninklijk Besluit dat de naamswijziging officieel maakt. Na ondertekening van het Koninklijk Besluit, ontvangt de verzoeker enkele weken later een officieel uittreksel van het besluit. Hierin staan alle gegevens van de persoon op wie de naamswijziging betrekking heeft. De ambtenaar van de burgerlijke stand voegt de naamswijziging als latere vermelding toe aan de geboorteakte.

Mogelijkheid van bezwaar en beroep

Een belanghebbende kan tegen voornoemd voornemen bezwaar aantekenen bij de Minister van Justitie. De Minister neemt een beslissing op het bezwaar. Indien de bezwaarde het niet eens is met de beslissing op het bezwaarschrift, dan kan hij in beroep gaan. Dit doet hij bij de sector bestuursrecht van de rechtbank in het arrondissement waarin hij woont. Als de bestuursrechter de bezwaarde in het ongelijk stelt en hij het beroep afwijst, dan kan de bezwaarde nog in hoger beroep gaan bij de Raad van State.


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin

Seksueel geweld in Coronatijd

Aanranding, verkrachting, seksueel misbruik door hulpverleners, seksueel misbruik van kinderen, het zijn allemaal vormen van seksueel geweld. Seksueel geweld wordt soms gepleegd door onbekenden, maar nog veel vaker door bekenden, en vaak in afhankelijkheidsrelaties. Seksueel misbruik leidt over het algemeen tot ernstige schade: veel slachtoffers ontwikkelen ernstige psychische klachten, zoals angststoornissen; herbelevingen; of depressieve klachten.

Voor slachtoffers is het meestal moeilijk om met hun verhaal naar buiten te komen. Zo kan daarbij schaamte een rol spelen, maar ook de angst om niet geloofd te worden, of een zekere mate van loyaliteit ten opzichte van degene die het misbruik heeft gepleegd. Plegers van seksueel misbruik zetten slachtoffers meestal onder druk om het seksuele contact geheim te houden, en proberen slachtoffers vaak mede verantwoordelijk te maken. Dientengevolge kan het misbruik doorgaan. Het is van belang het stilzwijgen te doorbreken, en over het misbruik te praten met iemand die je vertrouwt, zoals een bekende, een vertrouwenspersoon op school of werk, een hulpverlener of een medewerker van het Steunpunt Huiselijk Geweld.

Lees verder:


Share with:

Facebook | Twitter | Pinterest | Linkedin